Moeder zijn gaat bij mij niet vanzelf

Moeder zijn gaat bij mij niet vanzelf

Moeder zijn gaat niet vanzelf. Voor niemand, maar voor mij helemaal niet. Bekijk bericht

Fuck Oud & Nieuw

Fuck Oud & Nieuw

Elk jaar gooi ik melodramatisch mijn kont tegen de kribbe, pers wat recalcitrante Facebook updates eruit over hoe suf oud & nieuw wel niet is en proost met een fles Southern Comfort op een nieuw jaar met dezelfde keuzes, doffe ellende en toffe feesten. Het heeft niets te maken met de afsluiter van het jaar, de nostalgische en melancholische emoties die erbij horen, de achterlijke en tragisch hoopvolle voornemens of de alcohol die op die dag juist rijkelijk mag vloeien. Ik heb al sinds ik me kan herinneren gewoon een hekel aan Oud & Nieuw.

Overprikkeld

Ik geef het niet graag toe, maar ik raak nogal eens overprikkeld van evenementen, bijeenkomsten of gebeurtenissen. Ik heb een hekel aan winkelen, want als ik vijf minuten in een drukke Primark loop, heb ik het bloedheet en wil ik alleen nog maar naar huis om te slapen. Als ik een drukke dag heb gehad op mijn werk en mijn hoofd bomvol zit, moet ik echt thuiskomen. Ik heb tien minuten tot een uur nodig om tot mezelf te komen.

Als de dop van de frisdrankfles niet goed is vastgedraaid, blijf ik het hinderlijke gesis horen. Zodra de buren oud eten over het balkon flikkeren en de meeuwen er als aasgieren op af komen, hoor ik constant het gekrijs van die beesten tot ze ophouden. Ik hoor het getik van een verwarming die afkoelt, mijn buurman die gaapt, de bovenburen die bidden en auto’s die rijden in de straat die achter mijn woning ligt, de portiekdeur die klappert omdat de laatste die binnen is gekomen het niet goed heeft afgesloten.

Zodra mijn vriend voetbal kijkt en enthousiast zijn club support door te applaudisseren, knalt dat loeihard door in mijn schedel. Snapt hij niet, en kan hij niet doen en dus doe ik vaak oordopjes in met muziek. Geluid overprikkeld me alleen als ik er niet om heb gevraagd, en wanneer het van anderen komt.

Waar anderen zich voor af kunnen sluiten, komt bij mij binnen zonder te kloppen.

Krijsende vuurpijlen

Dit is waarom ik een hekel heb aan Oud & Nieuw. Naast dat ik mensen niet vertrouw met vuurwerk, kan ik helemaal niets met de teringherrie die het met zich meebrengt. Het gekrijs van de vuurpijlen, geratel van grondbloemen, geknal van rotjes en illegale versies, gillende Romeinse kaarsen; drie dagen later gaat er nog steeds vuurwerk af in mijn kop. Het kost me veel energie om de keiharde knallen die zich ongefilterd in mijn schedel rammen zachtjes in mijn brein te laten landen. Ik kan me tijdens deze feestelijke gelegenheid alleen maar focussen op de extreme geluiden.

Ik heb verschillende dingen gedaan om erachter te komen hoe ik het beste met Oud & Nieuw, en het bijkomende gekrijs, om kan gaan. Door mee te doen, bijvoorbeeld. If you can’t beat them, join them. Tot je erachter komt dat je vuurwerk eigenlijk niet leuk vindt, en de mensen die het afsteken niet vertrouwt. Door alleen buiten te staan en te kijken naar het moois wat vuurwerk ook kan zijn, maar omdat ik een mietje ben en schrik van elke knal, ben ik toch maar gauw naar binnen gegaan. Ik heb ook een poging gedaan om gewoon binnen te blijven, als een oud wijf. Dat was ronduit kut. Bovendien werd het geluid niet gedempt, dus veel zin had het ook niet.

En dan dacht je dat je het had gehad.

Kus-kus-kus

Terwijl ik me focus om alle geluiden te verwerken die mijn harses binnenkomen, wordt er ook nog eens gelijk verwacht dat ik iedereen enthousiast een nieuwjaar wens. Kus-kus-kus. Knuffel. Of beide. Naast dat ik gillende keukenmeiden in mijn oren heb, heb ik smakgeluiden vlakbij mijn oren. Ineens wordt er verwacht dat ik mensen toelaat in mijn personal space. Die space bestaat trouwens uit mij en een vijf meter radius. Moet dat echt?

Nee, niet meer. Het heeft wat jaren geduurd voordat ik erachter kwam dat ik mensen helemaal niet hoef te kussen en te knuffelen. Handje schudden, ‘gelukkig nieuwjaar’ zeggen en klaar. Fuck de opgetrokken wenkbrauwen, de gekwetste ego’s en de hoofden die ik laat hangen, omdat ik mijn wang niet tegen die van hen druk. Ik kies wie ik wil kussen en knuffelen. Ik ben niet raar, mensen die kusjes en knuffels verwachten van mij die zijn pas raar.

Gelukkig hoef ik me nu alleen te focussen op de cobra’s, strijkers en andere bermbommen die mensen afsteken.

Prikkelvrij feestje

Natuurlijk ligt het meer aan mij dan aan Oud & Nieuw. Het is alleen erg moeilijk om een filter in te bouwen die ik gewoonweg niet heb. Het enige wat helpt tegen die knallers die hun weg in mijn schedel forceren, de domme hoofden die hun kleffe koude wang tegen de mijne aan willen drukken en de onbekende lijven die zich willen verstrengelen met die van mij, is drank of mezelf opsluiten. Het laatste gaat het niet worden, want dat vind ik wel echt tragisch. En we gaan al eeuwen lallend het nieuwe jaar in, dus erg problematisch lijkt me dat niet. Ook al vind ik Oud & Nieuw stom, dat betekent niet dat ik het mee hoef te maken als een hond met de staart tussen de benen. Ik verdien ook een prikkelvrij feestje om het jaar af te sluiten.

Nu ik mijn melodramatische update over Oud & Nieuw weer heb gehad, kunnen we dan afspreken dat we het wat kalmer doen met die knallers en kusjes. Zou ik wel echt effe heel vet vinden.

Gelukkig nieuwjaar.

Is het al 6 januari?

Vast in mijn vaste contract

Vast in mijn vaste contract

Wanneer je eindelijk een beetje kunt voldoen aan wat de maatschappij van je verwacht. Een vast contract: zekerheid. Maar wat doe je als je een vast contract hebt ergens waar je helemaal niet wil zijn? Blijf je? Of kies je voor je eigen geluk? 

Eind september was ik bij het TedxRotterdam Ladies Event. Social influencer Esmee Trouw vertelde tijdens haar Ted Talk dat 65% van de werkende mens niet blij is met zijn/haar werk. Dat was ongeveer 2/3e van de zaal. Veel. En ook al had ik het verhaal van Esmee al meerdere keren, van andere jonge influencers, gehoord: de cijfers bleven mij bij. Juist omdat ik niet lang geleden zelf bij die groep hoorde.

Niet blij

In 2015 begon ik bij mijn huidige werk. Ik begon onder aan de ladder en klom in 2.5 jaar flink de ladder in. Van de ene fancy functietitel naar de andere sjieke functiebenaming. Hoe trots deze lege functietitels mij ook maakte; ik was niet blij. Nooit had ik verwacht, gedacht of gedroomd dat ik zo snel kon doorgroeien, maar ik was gewoon niet gelukkig.

Ik pakte alle kansen die ik kreeg, maar ik werd niet blij. Hoeveel verschillende mensen ik ook leerde kennen, bijzondere dingen ik maakte en realiseerde: het maakte niets uit. Ik merkte dat ik steeds minder energie kreeg van wat ik deed. En dat terwijl ik houd van mijn vak. Hoe kon hetgeen waar ik van hield mij niet meer geven wat ik wilde? ‘Houd ik wel echt van wat ik doe, of houd ik mezelf dat voor?’

Even vroeg ik me af of wat ik deed wel echt voor mij was. Misschien was het helemaal niet de bedoeling van het universum dat ik werkte in de marketingcommunicatie en leerde ik dat nu. Het was moeilijk om te geloven, omdat ik zoveel bewijs had dat marketingcommunicatie mijn vak was. Onzin om te denken dat dit niet zo is. Mijn brein is daarop ingesteld en ik hoef maar met iemand te zitten of ratel een hele strategie aan elkaar vast. And then some. Dat kon het niet zijn. Onmogelijk. Wat was het dan wel?

Onbepaalde tijd

De volgende onzekerheid stak al gauw de kop op. Ik had nu wel besloten dat ik niet blij werd van wat ik deed. Maar hoor ik wel blij te zijn van wat ik deed? Zijn al die blije mensen gewoon geen uitzondering op de regel? Van die special snowflakes? Ik had immers een contract voor onbepaalde tijd. Die zekerheid had ik nog nooit gehad. En ik ben ‘al’ 34 jaar, ik had allang een vast contract moeten hebben! Dat hoort. Dat ik mijn leven altijd prima heb kunnen leven met contracten waar geen ‘onbepaalde tijd’ in stond, dat was ik even vergeten. Het feit dat ik dit wel echt eens iets was waardoor ik ook een beetje bij de maatschappij hoorde. En toch voelde het niet goed.

‘Hoe waardevol vind ik dat contract eigenlijk?’ vroeg ik mezelf af. Kinderen heb ik al, een huis wil ik (nog) niet kopen, boodschappen, schoenen en concertkaarten heb ik altijd kunnen kopen zonder een contract voor onbepaalde tijd. Het antwoord? Niet zo waardevol.

Bindingsangst

De dag dat ik het contract tekende voelde zowel goed als slecht. Eindelijk had ik een contract voor onbepaalde tijd! Fuck, ik had een contract voor onbepaalde tijd! Dat mijn werkgever mij voldoende vertrouwde om mij zo’n contract te geven, voelde goed. Het feit dat het vertrouwen van mijn werkgever het enige positieve was wat ik uit dat contract kon halen, was al voldoende om het eigenlijk niet te doen. Ik tekende.

Direct voelde ik me opgesloten. Alsof ik geen kant meer op kon. Alle twijfels, die ik al had, sloegen weer in als een bom. ‘Wil ik dit wel? Waarom teken ik als ik het niet zeker weet? Ik had dit niet moeten doen. Oei, oei, oei. Ik had wel moeten tekenen. Natuurlijk wel. Een contract voor onbepaalde tijd krijg je niet zo snel meer. Het is een goede keus. Het is een slechte keus!’ Mijn hoofd draaide overuren. Het voelde als bindingsangst. Ik wil wel, maar ik wil niet. ‘Wil ik nog twintig jaar dezelfde weg naar werk afleggen, wil ik blijven creëren op deze manier, wil ik mij hierop focussen? Kan ik mijn creativiteit hierin kwijt?’ Op al die vragen had ik één antwoord: nee. Oké, ik had nu mijn antwoord. En ik had getekend. Wat nu?

Wat wel?

Leuk hoor weten wat ik niet wil, maar hoe bepaal ik dan wat ik wel wil. Het lag in ieder geval vast dat ik iets wilde doen waar ik mijn creativiteit kon uiten. Durf te zeggen dat ik creatief ben met woorden, dat ik kansen zie waar mensen gauw voorbijlopen (of denken dat het niet mogelijk is), ik kijk soms net anders tegen bepaalde dingen aan waardoor het net een andere insteek krijgt. Plus: ik vind het heerlijk om te doen. De conclusie was dan ook makkelijk te maken: ik hoor te doen wat ik doe. Alleen ergens anders. Toen ik daar eenmaal achter kwam, vielen de puzzelstukjes een beetje op hun plek.

Geniaal moment

Werken in een corporate zag ik niet meer zitten. Dat was ik zeker van: dat was niets voor mij. Te groot, te log, te grijs. Dat betekende dat ik het kleiner moest zoeken. Maar ik wilde mijn creativiteit ook niet op één organisatie of product focussen, dus daarmee viel eigenlijk al heel veel af. Het was echt belangrijk dat de mensen met wie ik ging werken het vak snapte en ervan hielden. Dat ik met ze kon sparren, denken en groeien. Dus kleiner, voor verschillende producten/organisaties werken, in een eensgezinde omgeving. Het antwoord was vrij voor de hand liggend: een bureau. Ik moest werken bij een bureau. Ken je dat gevoel als de engelen gaan zingen en hemelpoorten openen als je een geniaal moment hebt? Nou dat had ik.

Ik besloot te solliciteren. Vond mijn droombaan, nam ontslag en liet mijn vaste contract los. Ineens kon ik weer ademen. Zo simpel was het.

Te kort

Bovenstaande is wat ik vertel als men mij vraagt of ik het wel zeker weet. Het gaat immers om een vast contract. Wanneer krijg je die tegenwoordig nou nog? Maar wat is een vast contract waard als je eigenlijk alleen maar het gevoel hebt dat je stikt? Is het leven niet veel te kort om ergens te zijn waar je niet wil zijn?

Me too, ich auch, ik ook, moi aussi

Me too, ich auch, ik ook, moi aussi

Me too. Wanneer het gaat om ongepast gedrag of seksuele intimidatie zwijgen vrouwen veel te vaak. Er zijn veel te veel vrouwen die te maken krijgen met ongewenste intimiteiten. Ik neem een greep uit mijn ervaringen en doorbreek met dit blog (en met Mijn borsten en billen zijn niet voor jou en acht opmerkingen die mij leerde dat mannen gevaarlijk zijn) mijn zwijgen. 

Mijn huis

Basisschool, groep 8. Ik ben een jaar of 11 oud. Het is mijn vroegste herinnering aan een man (jongen) die ongepast gedrag vertoont. Als ik op de fiets naar school ging, was ik maximaal vijf minuten onderweg. In de ochtend waren dit ook echt vijf minuten. Na schooltijd waren dit vaak tien minuten. Niet omdat ik zo ontzettend langzaam fietste, maar omdat ik een omweg maakte. Ik wilde namelijk niet dat de jongen die mij praktisch dagelijks achtervolgde wist waar ik woonde. Dat hij vast al wist waar ik woonde, omdat de stad toen zo’n 35.000 inwoners had, wilde ik niet erkennen. Hij zei niets als hij mij door de steegjes, straten en smalle gangen achtervolgde. Hij fietste vlak achter mij. Ik versnel mijn tempo. Ik kon niets zeggen. Mijn hart bonkte in mijn keel. Daar is mijn huis.

Deurbel

“Kom binnen,” zei hij. Ik antwoordde dat ik niet wilde. Hij verzon een achterlijk excuus waar ik intrapte en plots stond ik in zijn huis. Veertien jaar was ik. De woning was mij bekend; ik was er wel eens binnen geweest. Ik had een blauwe maandag verkering met hem gehad. Zo’n puppy verkering: intens verliefd, kort verkering en kort verdrietig. “Ga zitten,” beval hij. De deur viel in het slot, en werd op slot gedraaid. Ik vond het vreemd dat hij de deur op slot draaide. “Ik ga naar huis,” zei ik en draaide me om.

Dat was niet de bedoeling. Hij dwong mij op de bank. Ik kroop zo diep mogelijk in de de hoek. Zijn vinger ging over mijn wang, draaide om mijn sproeten en omhoog naar mijn haar. Hij draaide zijn vinger om mijn haar. Ik rilde en werd misselijk. Zijn droge lippen op mijn wang. Richting mijn mond. Ik vouwde mijn lippen naar binnen. Ik wil dit niet. De deurbel gaat.

De uitsmijter

“Proost!” en we klinken onze glazen. Het is zomer 2010. Ik draag een jurk tot over de knie, geïnspireerd op de mode uit de jaren vijftig. Mijn decolleté is bescheiden, maar mijn hakken zijn hoog. Het is een warme zomerdag dus ik draag geen panty. Ik heb mijn haren opgestoken en mijn make-up zit perfect. Ik voel me goed en heb zin om te dansen, alle energie eruit. Mijn vriendin en ik praten wat, zij rookt wat, ik drink wat. Het is gezellig. De muziek is lekker. Het is warm en mijn hoofd begint te glimmen van het zweet. Ik heb dorst en wil een slok van mijn drinken nemen.

Ineens voel ik iets onbekends en grofs tussen mijn benen. Net niet hoog genoeg, maar hoog genoeg. Zo snel als het tussen mijn benen zat, zo snel is het verdwenen. Ik draai me met een ruk om. “Jij! Jij moet niet aan mij komen! Ben je fucking belazerd!” roep ik hysterisch naar een man die twee keer zo breed en drie keer zo hoog is als ik. Hij keek mij aan, ontkende en schold mij uit. Ik bracht mijn hand naar mijn schoen. De uitsmijter kwam.

Beduusd

Ik loop alleen door de club. Voor de verandering ben ik mijn vriendinnen kwijt. Gelukkig heb ik nog een glas drinken en is de muziek prima. Het is warm, ik ben bezweet. En mijn armen zijn bloot; daar ben ik momenteel erg dankbaar voor. Het is zo’n extra warme dag in 2013. Ik loop verschillende rondjes, maar ik kan die meiden maar niet vinden. Voor de derde keer loop ik langs een paar gasten. Ze vielen mij niet op, omdat er zoveel gasten zijn in een club en mijn focus lag op het vinden van mijn vriendinnen en mijn ogen beschermen voor al dat zweet wat er bijna indruppelde. Ineens kom ik abrupt tot stilstand, omdat iemand mijn arm heeft vastgepakt. Ik draai me om, geef een boze blik en probeer mijn arm los te rukken.

De man die mijn arm heeft gekidnapt draait mijn arm een kwartslag. “Mooie tatoeage,” zegt-ie, terwijl hij mijn arm praktisch uit de kom draait. “Maar kun je me godverdomme loslaten?” roep ik verbaasd. Vervolgens liet hij mij natuurlijk niet los, maar trok hij mij naar zich toe. Zo dichtbij dat ik zijn adem kon proeven. Hij keek verongelijkt en ademde in mijn gezicht. Alsof hij het recht had om mijn arm te grijpen. “Kutwijf” mompelde hij en duwde mijn arm weg alsof het een besmettelijk ledemaat was. Ik was beduusd.

Me too

Gebombardeerd tot ‘kankerhoer’, ‘kutwijf’ of ‘teringhoer’ omdat ik mijn MSN, telefoonnummer, of social media accounts niet wilde geven. Aangeraakt op plekken die niet voor handen (of ogen) van vreemde mannen waren (zijn). Bekeken alsof ik een poster in de Playboy was of een still op YouPorn. Opmerkingen krijgen over lichaamsdelen die niet eens opzichtig uit kledingstukken steken, geïntimideerd worden door managers en onacceptabele reacties krijgen op selfies, iemand zijn ‘schatje’ zijn en nagefloten worden op straat. #Metoo.

Ik ga geen wijze lessen geven over hoe mannen zich moeten gedragen. Aan hun gedrag kan ik niets veranderen. Bovendien is het niet mijn verantwoordelijkheid om hun gedrag te wijzigen. Dat mogen ze zelf doen. Ik kan alleen maar helpen bij bewustwording. Daarnaast: hoe harder ik schreeuw, hoe meer weerstand (oftewel: het stel je niet zo aan, het is maar een grapje-virus) er zal zijn. En dat wil ik juist voorkomen.

Wat ik wel kan veranderen, is dat ik mijn ervaringen niet meer onder het tapijt veeg. Blijven praten. Hardop. Omdat wij dit niet meer mogen bagatelliseren. Om vervolgens onze grenzen hardop uit te spreken. Dat we ons niet meer schuldig voelen over de lengte van onze rok als een ‘heer’ besluit dat hij zijn hand daar ongevraagd onder kan steken. De geile driften van een man zijn niet mijn schuld en al helemaal niet mijn verantwoordelijkheid. Wij vrouwen zijn niet schuldig aan of verantwoordelijk voor de geile driften van mannen!

Acht opmerkingen die mij leerde dat mannen gevaarlijk zijn

Zolang ik me kan herinneren, heb ik geleerd dat ik me moet kleden om niet te provoceren. Om specifieker te zijn: ik heb geleerd me degelijk te kleden om geen mannen te provoceren. Daarnaast heb ik geleerd altijd op te letten, omdat mannen gevaarlijke wezens zijn. Ik leerde dat mannen onbetrouwbaar waren, en met die kennis zou ik moeten weten dat wanneer er een man in de buurt is altijd gevaar op de loer ligt. Ik was gewaarschuwd en als er toch wat zou gebeuren, had ik het aan kunnen zien komen. Ofwel: eigen schuld, dikke bult. Hieronder een lijstje van ‘wijze levenslessen’ die mij voor de gevaarlijke mannen moest behoeden.

  1. ‘Zou je dat nou wel doen, zo’n kort rokje?’ 

    Het was een tijdje mode: korte rokjes. Hele korte rokjes. De lengte werd geïdentificeerd als ‘ziepoesnetniet’. Het was mode toen ik een jaar of 15 was. En ik wilde dat ook, maar dat kon ik heus vergeten. Want waarom zou ik in zo’n rokje naar buiten gaan? Wat was ik van plan? Zulke rokjes zijn niet voor fatsoenlijke meisjes. Ik zou nog eens wat nare reacties op mijn hals kunnen halen van mannen, en dat moet ik niet willen. Nee, ik moest maar ‘gewoon’ een broek aantrekken. Een broek trekt in ieder geval minder aandacht. Met een rok aan vraag ik natuurlijk om problemen.

  2. ‘Ik kan je navel zien’

    Met mijn 85D heb ik redelijk bos hout voor de deur, maar ik draag zelden tot nooit een decolleté. En mocht ik per ongeluk een decolleté aanhebben, dan kun je er donder op zeggen dat ik een jas, blazer of vest eroverheen heb die ik om de haverklap over het decolleté trek. Niet omdat ik preuts ben, maar omdat ik geleerd heb dat mensen (lees: mannen) altijd naar je borsten kijken. En met een decolleté vraag je daar om. Wil je dat niet? Dan moet je geen decolleté dragen. Zo geschiedde. Overigens, toen ik een keer een shirtje met decolleté droeg en vooroverboog werd ik toch, nadrukkelijk, op mijn hoerigheid gedrukt: “Zo hallo, ik kan je navel zien.” En dat was het einde van het experiment decolleté. Dit gebeurde in mijn tienerjaren en ik ben nu mid dertig. Geen idee of ik ooit nog normaal een decolleté kan dragen.

  3. ‘Met die make-up kun je net zo goed op de wallen gaan staan.’

    Je bent jong en je wil wat. Dit werkt ook zo met make-up. Net als je moet experimenteren met je kleding, is de kans groot dat make-up ook niet ontkomt aan je probeersels. Bij mij was dat wel het geval. Ik heb behoorlijk geoefend met allerlei kleurtjes op mijn gezicht. Wat niet in goede aarde viel, want met veel make-up looks kon ik ‘goede zaken op de wallen doen’. Gelukkig kon ik mijn looks ook heus verkopen aan clowns. Het meest uitbundige wat ik nu nog doe met make-up is hele donkere lippenstift of een groen oogschaduuwtje, maar voor de rest pak ik de kwast amper nog op.

  4. ‘Die hakken zijn niet voor fatsoenlijke meisjes.’

    En ik was natuurlijk een fatsoenlijk meisje. Ik heb altijd een zwak voor schoenen met hoge hakken gehad. Het had gewoon iets, maar dat maakte niet uit! Hakken van die hoogte waren alleen voor een bepaald slag vrouwen, en daar hoorde ik niet tussen. Dat ‘slag vrouwen’ vraagt namelijk alleen maar aandacht aan mannen, en dat zorgt voor problemen! Toch werkte dit, in tegenstelling tot het decolleté, averechts op mij. Ik heb nu een kast vol staan met hoge hakken en ik laat niemand wat zeggen over mijn schoenen. Alleen als ik erop loop, voel ik soms ogen prikken. Want ja, die schoenen zijn toch voor een bepaald slag mens. En daarmee werd niet het fatsoenlijke, leuke, gezellige meisje uit de straat bedoeld.

  5. ‘Loop nooit alleen naar huis, je weet niet wat er kan gebeuren’

    Ik vraag me werkelijk af of er ooit een man is geweest die deze zin heeft gehoord. Ik moest altijd op mijn hoede zijn voor aanranding en verkrachting. Als ik alleen naar huis zou lopen dan zou ik de kans aanzienlijk vergroten om een man tegen te komen die zich aan mij zou vergrijpen. Ik kan me niet eens meer herinneren hoe vaak ik alleen naar huis ben gelopen, angstig. En van alle keren dat ik naar huis ben gelopen, is er nog nooit wat gebeurd. Ik ben altijd voor niets angstig geweest. Elke man die naast mij kwam lopen, zag ik als potentiële verkrachter. Zo heb ik ook nog nooit (te) aardig gedaan tegen een man die naast mij kwam lopen als ik alleen liep. Hij moet immers wat van me.

  6. ‘Een hoer zou jaloers zijn op deze outfit’

    Als ik een jurk aanhad die mijn rondingen accentueerde, nou dan was ik nog niet jarig. Met mijn maat 42 heb ik wel een ronding hier en daar, en daar maak ik me helemaal geen zorgen oover. Maar toen ik jonger was, was het blijkbaar wel een probleem. Mijn zichtbare rondingen (toen nog geen rondingen à maat 42) moesten verstopt worden, want in een strakke jurk kon een sekswerker nog eens jaloers worden op mij. Het heeft ook wel echt heel erg lang geduurd voordat ik weer strakke jurken durfde te dragen, want als een man dan viezig naar mij keek, was het namelijk mijn eigen schuld. Had ik me maar niet moeten kleden als hoer. Toen ik besloot toch weer eens een strakke jurk aan te trekken, trok ik gelijk een héle strakke jurk aan met een lengte ‘ziepoesnetnie’ én hakken zo hoog als flatgebouwen. Bevrijdend was dat. Dat ik dit in mijn huis aanhad, tijdens een huisfeestje: dat doet er niet toe.

  7. ‘Bedek je drankje te allen tijde, voor je het weet gooit iemand er wat in’

    “Als je gaat stappen, houd je drankje altijd vast, want je weet nooit wie er wat in wil gooien.” Ik ben daar zo bang voor geworden, dat ik mijn drankje niet eens de kans geef om alleen te staan op de bar. Een Southern Comfort atten is niet zo’n probleem. Overigens geloof ik heus dat er idioten zijn die wat in je drankje deponeren, net zoals ik geloof dat er heus een verkrachter op de loer kan liggen als je alleen naar huis loopt, maar ik geloof niet dat de kans zodanig groot is dat deze angst je ingeboezemd moet worden als jonge vrouw. Als een man een vrouw pijn wil doen, doet ‘ie dat toch wel. Hoeveel waarschuwingen je ook hebt gegeven. Als hij wat in haar drankje wil gooien, dan flikkert hij wat in haar drankje hoor.

  8. ‘Als je zo gekleed gaat, of dat doet, of zoiets zegt, of er zo en zo uitziet: dan vraag je erom’

    En dat is het enige wat ik hoorde in bovenstaande ‘wijze lessen’. Mannen hadden bij mij bij voorbaat al een slechte start. Het was onmogelijk dat zij niets van mij wilde; ik ben toch niet voor niets gewaarschuwd? Ik ben opgevoed met het idee dat ik mezelf altijd moet beschermen tegen mannen. En dat idee is eigenlijk nooit wegegaan. Ik heb geleerd dat mannen niets goeds in zin hebben, en als ze doen alsof ze dat wel hebben, komt het vanzelf uit dat ze liegen. Zo zijn ze, die mannen.

    Natuurlijk weet ik tegenwoordig beter, maar ik denk nog steeds heel hard na over een decolleté. Eigen keus of conditionering?

    Oh, en het is ook wel handig als jongens worden opgevoed met de gedachte dat meisjes niet bestaan voor hun bezit. Dan kunnen meisjes opgevoed worden met het idee dat ze helemaal niets hoeven te laten, omdat ze bang moeten zijn dat er wezens zijn die zich aan hun kunnen vergrijpen. Kip-ei, maar wel allemaal blij.